Frambozen bemesten: de hoeveelheid is klein, het moment is de vraag

Tekening met twee panelen zonder tekst. Links schijnt een zon boven een frambozenrij: twee bruine scheuten dragen aan hun zijtakken bladeren en rode vruchten, en twee groene scheuten ernaast dragen alleen bladeren. Rechts staat geen zon maar dwarrelen er vier bruine blaadjes door de lucht, en dragen vier groene scheuten bovenin rode vruchten.
· Tekening: Foliasana · Omdat er geen geschikte foto was, is deze tekening met AI gemaakt en is de inhoud aan de bronnen getoetst.

Door Foliasana · Bijgewerkt: 21 september 2026

Frambozen vragen weinig. Hortipendium noemt hun bemestingseisen recht bescheiden, en in de behoeftetabel voor fruitgewassen van de Bayerische Gartenakademie (hierna: de bemestingsgids) staat de framboos bij alle vier de voedingsstoffen onderaan. Over de hoeveelheid is daarmee het meeste gezegd. Twee andere vragen leveren meer op: waarmee je bemest, en op welk moment. Dat laatste is bij frambozen niet los te zien van de soort die in je tuin staat.

Hoeveel een framboos nodig heeft

VoedingsstofFramboos, per jaarBereik in de fruittabel
Stikstof (N)3 g/m²3 tot 8
Fosfaat (P₂O₅)1 g/m²1 tot 2
Kalium (K₂O)4 g/m²4 tot 13
Magnesium (MgO)1 g/m²1 tot 4

In de tabel van de bemestingsgids staan tien fruitgewassen in kolommen naast elkaar. Bij alle vier de voedingsstoffen staat de framboos op de laagste waarde. Het bereik ernaast zetten doet de gids niet; deze pagina wel. Bij stikstof deelt de framboos die 3 g/m² met appel en peer en met de blauwe bes, bij magnesium alleen met de blauwe bes.

De tabel geeft behoeftecijfers, geen giften. Wat er uiteindelijk gestrooid wordt, hangt ook af van de voorraad die al in de grond zit en van wat die grond nalevert. Vergeleken met de meeste groenten hebben fruitbomen en fruitstruiken volgens de bemestingsgids weinig nodig, net als houtige sierplanten.

Hoeveel van zo’n kleine gift bij de plant terechtkomt, hangt ook af van wat er verder in het bed groeit. Frambozen zijn volgens Hortipendium bijzonder gevoelig voor voedselconcurrenten, en daarom moet de teelt het hele groeiseizoen grotendeels onkruidvrij blijven. Bij 3 g stikstof per m² per jaar is dat geen bijzaak.

Welke framboos staat er? Dat bepaalt het moment

Levert de grond niet genoeg stikstof, dan splitst de bemestingsgids de stikstofgift bij fruitgewassen in tweeën. Bij elk van die twee momenten noemt de gids een periode én de reden ervoor:

  • eind maart of begin april, als de bloei op gang komt;
  • begin tot half juni, wanneer de vruchten hun hoofdgroei doormaken en de behoefte aan stikstof op haar hoogst is.

Welk van die twee stadia wanneer valt, hangt af van het type framboos in je tuin. Een informatieblad van dezelfde academie over het snoeien van kleinfruit (hierna: het informatieblad) noemt het onderscheid tussen zomer- en herfstdragende rassen de grondslag voor passende verzorgings- en snoeimaatregelen. De basisregel staat er kort: zomerdragende frambozen dragen in de regel aan de scheuten van vorig jaar, en herfstdragende rassen, daar aangeduid als eenjarige teelt, aan de scheuten van dit jaar.

Dat verschil in dragend hout zet ook de kalender uit elkaar. Hoe ver, laat de rassentabel van Hortipendium zien: de zomerrassen staan daar met een rijptijd van begin juni (‘Elida’), midden juni (‘Glen Ample’) en eind juni (‘Schönemann Typ Meyer’), en de herfstframboos ‘Autumn Bliss’ met half juli, met vruchten aan de nieuwe scheut tot de eerste vorst. Dat bloei en hoofdvruchtgroei daarmee bij een herfstdrager later in het seizoen vallen, en dat de soort dus vóór het moment komt, is de gevolgtrekking van deze pagina. In de hele bemestingsgids komt de framboos maar op één plek voor, in de behoeftetabel, en het informatieblad gaat over snoeien en noemt geen bemestingsmoment.

Weet je niet welk type in je tuin staat, dan helpen de rasnamen. Het informatieblad noemt als zomerdragers ‘Schönemann’, ‘Meeker’ en ‘Rubaca’, en als herfstdragers ‘Autumn Bliss’, ‘Himbo-Top’ en ‘Polka’. Hortipendium rekent daarnaast ‘Zefa Herbsternte’ en ‘Heritage’ tot de herfstframbozen.

Hortipendium werkt met een eigen ritme, en anders dan de bemestingsgids schrijft die bron rechtstreeks over frambozen: bij voorkeur twee giften, een in april voor het veiligstellen van de opbrengst en een in juni voor de knopaanleg van het jaar erna.

Juni staat er dus twee keer, maar niet om dezelfde reden. De bemestingsgids onderbouwt juni met de hoofdgroei van de vrucht, dus met de oogst van dit jaar; Hortipendium onderbouwt juni met de knopaanleg voor volgend jaar. Dezelfde maand, twee doelen. De bemestingsgids verwijst niet naar Hortipendium, en Hortipendium niet naar de bemestingsgids.

De stikstofgrens in juli

Voor houtige gewassen noemt de gids daarnaast een grens, en die is zonder onderscheid naar rassentype geformuleerd. Ze worden winterharder als hun scheuten vroeg afsluiten, en dat bereik je volgens die gids door de stikstofbemesting vanaf juli achterwege te laten.

Bij een herfstdrager valt de oogst precies in die periode. In de rassentabel van Hortipendium staat bij de herfstframboos ‘Autumn Bliss’ half juli als rijptijd, met als kenmerk dat de vruchten aan de nieuwe scheut komen, tot de eerste vorst. De julidatum valt bij zo’n ras dus middenin de vruchtfase.

Daar hoort een eigenschap bij die het informatieblad noemt: herfstdragende rassen voert die tekst als eenjarige teelt, dus hun scheuten dragen niet door naar het volgende seizoen. Hortipendium beschrijft hetzelfde beeld en zegt dat herfstframbozen in de winter helemaal tot vlak boven de grond worden teruggesnoeid, waarna ze het jaar daarop aan de nieuw gegroeide scheuten bloeien en dragen. Wat winterhardheid bij zo’n scheut nog waard is, staat in de bemestingsgids niet, en het informatieblad gaat niet over bemesting. Wie binnen de grens van de gids wil blijven, brengt de stikstof voor een herfstdrager dus eerder in het jaar.

Chloridevrij, en wat er op de verpakking staat

Op de vraag welke meststof het moet zijn, houdt Hortipendium het kort, en het antwoord wijst geen product aan maar stelt een eis: in de basis is alleen belangrijk dat er chloridevrije meststoffen gebruikt worden.

Voor gangbare volledige meststoffen noemt dezelfde bron een hoeveelheid: 5 kg per are is voor een groeiseizoen ruim voldoende, en dat komt volgens die bron neer op 50 g per m².

Die 50 g en de 3 g uit de tabel zijn twee soorten getallen. De 3 g stikstof is zuivere voedingsstof, de 50 g is een hoeveelheid meststof. Geen meststof bestaat volgens de bemestingsgids voor 100 % uit voedingsstof, en hoeveel erin zit staat als percentage op de verpakking, in de volgorde N, P₂O₅ en K₂O.

Of er een gewasnaam op de verpakking staat, maakt bij de keuze in principe niet uit, schrijft de bemestingsgids: gazon-, bloemen- en tomatenmeststof kunnen net zo goed voor andere gewassen deugen als de verhouding tussen de voedingsstoffen klopt. Die verhouding is dus het criterium van de gids, en de eis van Hortipendium, chloridevrij, komt daarbovenop.

Volledige meststoffen en hoornmest liggen in het tuincentrum; een kwekerij verkoopt ze vaak ook.

Compost: reken uit wat je binnenbrengt

Compost en stalmest zijn volgens de bemestingsgids gewoon meststoffen en moeten ook zo behandeld worden. Die gids geeft er getallen bij. Als vuistregel hoort er per jaar hoogstens 3 l/m² compost op een vierkante meter siertuin of per groenteteelt, tenminste als de grond in fosfaatklasse C tot E valt. In de tabel waarin diezelfde gids gangbare giften naast elkaar zet, levert 3 l/m² compost 2 g stikstof, 12 g fosfaat, 27 g kalium en 6 g magnesium per m².

Die twee tabellen met elkaar vergelijken is het werk van deze pagina; de gids zet ze niet naast elkaar. Een framboos vraagt per jaar 1 g fosfaat en 4 g kalium. Eén gift van 3 l/m² compost brengt daar een veelvoud van binnen. Voor stikstof geldt juist het omgekeerde: de stikstof in compost komt maar heel langzaam vrij, ongeveer 3 tot 5 % van het totaal per jaar, en daarom is er volgens de gids in de regel aanvullende stikstof nodig. Na jarenlang compost geven is dat niet altijd zo, want dan hoopt zich organisch materiaal op waaruit de grond voortdurend stikstof nalevert.

Bij een gewas met zulke lage getallen is zuinig doseren daarom verstandiger dan een royale jaarlijkse laag; die afweging maakt deze pagina. Heb je geen eigen composthoop, dan delen sommige gemeenten GFT-compost uit. Kijk bij je gemeente wat er in de GFT-bak mag en wat er te halen valt.

Gebruik je stalmest, dan hoort die volgens de bemestingsgids eerst minstens een jaar te liggen, of gecomposteerd te zijn voordat hij de tuin in gaat. Zet niet allebei op hetzelfde stuk grond: volgens dezelfde gids hoort er op één oppervlak altijd óf compost óf mest.

Niet bekalken

In dezelfde passage staat bij Hortipendium nog een advies, en dat gaat tegen een vertrouwde tuinroutine in: zie af van bekalken, want hoge kalkgehalten belemmeren de groei en de opbrengst. Het sluit aan bij de standplaats die dezelfde bron voor frambozen beschrijft, diepe en humusrijke grond met een pH tussen 5 en 6,5.

De bemestingsgids kent bekalken wel, maar als onderhoud voor de tuin als geheel: zakt de pH, dan hoort daar elke drie tot vier jaar een onderhoudsbekalking met koolzure kalk (CaCO₃) bij, 150 g/m² op lichte en 250 g/m² op zware grond. Welke pH een grond nastreeft, hangt volgens die gids af van de grondsoort en het humusgehalte; bij minder dan 4 % humus is dat 5,5 tot 6,5 op zand, 6,0 tot 7,0 op leem en 6,5 tot 7,5 op klei. Voor een frambozenrij weegt het gewasadvies van Hortipendium zwaarder dan die algemene routine; dat is de afweging van deze pagina.

Andersom is een hoge pH volgens de bemestingsgids op zichzelf nog geen reden om in te grijpen: groeien de planten er naar behoren, dan hoeft er niets gecorrigeerd te worden. De gids zet daar meteen een kanttekening naast. Bij gevoelige teelten, en als voorbeeld noemt de gids de hortensia, leidt een te hoge pH vaak tot gebrek aan sporenelementen, in de eerste plaats ijzergebrek, omdat die bij hoge pH-waarden slechter opneembaar zijn. De framboos staat niet in dat voorbeeld. Dat een gewas dat volgens Hortipendium een pH van 5 tot 6,5 wil op kalkrijke grond in dezelfde hoek kan belanden, leest deze pagina eruit; hoe zo’n gebrek eruitziet, staat verderop bij de gebreksverschijnselen.

Kalk komt bovendien niet alleen uit de kalkzak. Compost bevat volgens de bemestingsgids in de regel kalk, en moet de pH op lange termijn omlaag, dan kan dat volgens die gids bereikt worden door geen kalk en geen compost meer te geven. Dat compost bij frambozen daarmee niet neutraal is, is de gevolgtrekking van deze pagina: de gids schrijft dat voor tuinen waar de pH omlaag moet, en Hortipendium noemt compost nergens.

Hoornmest: traag, en dat heeft gevolgen

Organische meststoffen werken volgens de bemestingsgids niet meteen. De organisch gebonden voedingsstoffen moeten eerst gemineraliseerd worden voordat de plant ze kan opnemen, en daarom horen ze ongeveer vier weken eerder de grond in dan het moment waarvoor ze bedoeld zijn. Reken je dat terug vanaf de twee momenten hierboven, dan kom je uit op eind februari tot begin maart en op begin tot half mei; die omrekening maakt deze pagina.

Hoe fijn een hoornmeststof gemalen is, bepaalt volgens die gids het tempo: hoornmeel werkt betrekkelijk snel en kort, hoornspaanders veel trager en daardoor langer, en hoorngries zit ertussenin.

Hoornspaanders komen in de gids op drie plaatsen langs, en de strekking wisselt met de plek:

  • bij de indeling van de meststoffen. Hoornspaanders en schapenwolkorrels zijn volgens die gids voor de meeste tuingewassen niet aan te raden. De reden is een verhouding: de omzettingstijd is te lang gemeten aan de teeltduur, zodat er te weinig opneembare stikstof klaarstaat op het tijdstip dat het gewas er behoefte aan heeft. Vooral in het voorjaar speelt dat: zolang de grond koud is, komt de omzetting traag op gang;
  • bij de werkingssnelheid. Hoe lager de temperatuur, hoe sterker de werking van langzaam werkende meststoffen volgens de gids vertraagt, of je nu organisch of mineraal bemest. Daarom bleken minerale depotmeststoffen en hoornspaanders niet doelmatig te zijn bij plantensoorten met een zeer korte teelttijd; de gids noemt spinazie en kropsla, en wijst in het bijzonder op het vroege voorjaar. Diezelfde vertraging maakt zulke meststoffen volgens de gids ook ongeschikt om in de herfst mee te bemesten;
  • bij de houtige sierplanten, waar het omgekeerde gebeurt: ligt er schorsmulch, dan stijgt de stikstofbehoefte, en die toeslag moet je bijmesten met een langzaam werkende meststof, waarvoor de gids hoornspaanders als voorbeeld geeft.

Wat de eerste twee plaatsen voor een framboos betekenen, zegt de gids niet. De afraadzin noemt de meeste tuingewassen en laat in het midden welke daar wel en niet onder vallen, en buiten de behoeftetabel komt de framboos in de hele bemestingsgids niet voor.

De derde plaats staat onder de kop over rozen, sierheesters en bomen; de framboos staat een paragraaf verder, bij de fruitgewassen. De gids geeft zelf aan wanneer een regel van de ene groep ook voor de andere geldt: voor fosfaat, kalium en magnesium schrijft de gids dat je bij fruitgewassen net als bij de houtige sierplanten ook naar de gehalteklasse van de grond kijkt. Bij de schorsmulchtoeslag ontbreekt zo’n aanwijzing, en deze pagina neemt die toeslag daarom niet over.

Wil je hoornmest gebruiken, houd dan die vier weken aan en weet dat hoornspaanders van de drie het traagst zijn.

Het risico zit aan de bovenkant

Wat een teveel aan stikstof aanricht, beschrijft de bemestingsgids algemeen voor tuinplanten. De plant maakt veel blad, donkergroen en met zacht weefsel. Weelderig, maar geen reden tot vreugde, schrijft de gids erbij: meer blad gaat vaak ten koste van de bloemaanleg en de vruchtgroei, zacht weefsel maakt het ziekteverwekkers makkelijker om binnen te dringen, en de kwaliteit van de oogst neemt af, met onder meer een kortere houdbaarheid.

Dat die drie gevolgen ook een frambozenrij treffen, is de lezing van deze pagina. Elders noemt de gids een bovengrens voor één enkele stikstofgift, 10 g/m². De hele jaarbehoefte van een framboos, 3 g/m², ligt daar ruim onder.

Oude of jonge bladeren: wat een tekort verraadt

Waar een tekort het eerst opvalt, verschilt per voedingsstof. Bij stikstof en bij de sporenelementen geeft de bemestingsgids daarvoor dezelfde verklaring: hoe makkelijk die stof zich binnen de plant laat verplaatsen.

Stikstof laat zich makkelijk verplaatsen. Bij schaarste stuurt de plant hem naar de jonge bladeren en de scheuttoppen, en daarom zijn de verschijnselen meestal het sterkst aan de oudere delen. Daar horen volgens de gids minder groei bij, met dunne scheuten en weinig vertakking, bladeren die over het hele vlak vergelen, en in het uiterste geval deels roodachtige verkleuringen.

Sporenelementen laten zich juist slecht verplaatsen, en hun gebreksverschijnselen komen daarom eerst aan de jonge delen. Vergelingen tussen nerven die groen blijven, op jonge bladeren, gelden als het typische beeld van ijzergebrek. Zeker is dat niet altijd: van een tekort aan andere sporenelementen, mangaan voorop, zijn die vergelingen niet steeds duidelijk te onderscheiden. Eén mogelijke oorzaak kwam hierboven al langs, bij het bekalken: bij gevoelige teelten geeft een te hoge pH volgens de gids vaak een tekort aan sporenelementen. Dat de framboos daaronder valt, is ook daar de lezing van deze pagina.

Beide passages wijzen dezelfde kant op: de plek van de verkleuring is een aanwijzing voor wélke voedingsstof in het geding is, niet voor de vraag óf er iets ontbreekt. Dat laatste laat de grond zien, maar niet met één onderzoek. Een standaard grondonderzoek dekt volgens de bemestingsgids het gehalte aan fosfaat en kalium en de pH-waarde, en het magnesiumgehalte kan er los bij bepaald worden. Die waarden veranderen langzaam, dus om de vijf jaar nakijken is volgens de gids genoeg. Stikstof zit er niet in; daarvoor bestaat de Nmin-sneltest, waarmee je het actuele gehalte aan minerale stikstof in de grond in eigen beheer kunt bepalen.

Hoe je een appelboom bemest, die bij stikstof op hetzelfde getal uitkomt als de framboos, staat op Appelboom bemesten. Rozen zijn in de bemestingsgids juist de uitzondering met een hoge stikstofbehoefte; hun getallen staan op Rozen bemesten. De passages over hoornmest komen uitgebreider aan bod op Clematis bemesten, en wat een bodemonderzoek je over je tuingrond vertelt op Hortensia bemesten.

Veelgestelde vragen

Wanneer moet je frambozen bemesten?

Het antwoord begint bij de soort. Schiet de stikstof die de grond zelf in voorraad heeft en nalevert tekort, dan splitst de bemestingsgids van de Bayerische Gartenakademie de gift bij fruitgewassen in tweeën. Bij elk van die twee noemt de gids een periode én de reden: het eerste valt eind maart of begin april, bij het begin van de bloei, het tweede begin tot half juni, in de hoofdgroei van de vrucht, wanneer de stikstofbehoefte piekt. Die stadia vallen bij een zomerdrager en een herfstdrager niet gelijk. In de rassentabel van Hortipendium rijpen de zomerrassen begin tot eind juni, terwijl de herfstframboos Autumn Bliss er met half juli staat, met vruchten aan de nieuwe scheut tot de eerste vorst; het informatieblad over het snoeien van kleinfruit schrijft daarbij dat zomerdragende frambozen in de regel dragen aan de scheuten van vorig jaar en de herfstdragende aan die van dit jaar. Dat bij frambozen de soort dus vóór het moment komt, is een gevolgtrekking van deze pagina. Hortipendium noemt daarnaast een eigen frambozenkalender: bij voorkeur twee giften, in april en in juni.

Waarmee bemest je frambozen?

Met een chloridevrije meststof. Hortipendium schrijft dat in de basis alleen belangrijk is dat er chloridevrije meststoffen gebruikt worden, en noemt voor gangbare volledige meststoffen 5 kg per are, wat voor een groeiseizoen volgens die bron ruim voldoende is; omgerekend is dat 50 g per m². Welke gewasnaam er op de verpakking staat, doet er volgens de bemestingsgids van de Bayerische Gartenakademie in principe niet toe: ook een gazon-, bloemen- of tomatenmeststof kan voor een ander gewas deugen, mits de onderlinge verhouding van de voedingsstoffen klopt. Let wel op het verschil tussen de twee getallen: die 50 g is meststof, de 3 g stikstof uit de behoeftetabel is zuivere voedingsstof. Omdat geen enkele meststof voor 100 % uit voedingsstof bestaat, reken je met het percentage dat op de verpakking vermeld staat.

Hoeveel mest hebben frambozen nodig?

Weinig. In de behoeftetabel voor fruitgewassen van de Bayerische Gartenakademie staat de framboos op 3 g stikstof, 1 g fosfaat, 4 g kalium en 1 g magnesium per m² per jaar. Bij alle vier de voedingsstoffen is dat de laagste waarde van die tabel, waarin tien fruitgewassen in kolommen naast elkaar staan. Het bereik ernaast zetten doet de gids niet; deze pagina wel. Hortipendium noemt de bemestingseisen van frambozen recht bescheiden. Fruitbomen en fruitstruiken hebben volgens de bemestingsgids minder nodig dan de meeste groentegewassen, net zoals houtige sierplanten. En hoeveel je feitelijk strooit, hangt mede af van wat er al in de grond zit en wat die nalevert.

Tot wanneer mag je frambozen bemesten met stikstof?

Tot juli. Een vroege afsluiting van de scheuten maakt houtige gewassen volgens de bemestingsgids van de Bayerische Gartenakademie winterharder, en daarvoor stopt de stikstofbemesting met ingang van juli. Naar rassentype maakt die grens geen onderscheid. Juist bij een herfstdrager loopt de oogst er dwars doorheen: Hortipendium zet in haar rassentabel de herfstframboos Autumn Bliss op half juli als rijptijd, met vruchten aan de nieuwe scheut tot aan de eerste vorst. Zulke rassen voert het informatieblad over het snoeien van kleinfruit als eenjarige teelt, zodat hun scheuten het volgende seizoen niet meer halen; wat winterhardheid bij een eenjarige scheut nog oplevert, zegt de bemestingsgids niet. Blijf je binnen die grens, geef de stikstof dan vroeger in het seizoen.

Is compost genoeg voor frambozen?

Voor fosfaat en kalium ruimschoots, voor stikstof meestal niet. De bemestingsgids van de Bayerische Gartenakademie behandelt compost en stalmest uitdrukkelijk als meststoffen. Als vuistregel noemt die gids per jaar hoogstens 3 l/m² compost, als de grond in fosfaatklasse C tot E valt, en in haar vergelijkende tabel levert 3 l/m² compost 2 g stikstof, 12 g fosfaat, 27 g kalium en 6 g magnesium per m². Een framboos vraagt per jaar 1 g fosfaat en 4 g kalium, dus daar komt met één gift een veelvoud van binnen; die twee tabellen naast elkaar leggen doet deze pagina. De stikstof in compost komt volgens dezelfde gids maar heel langzaam vrij, ongeveer 3 tot 5 % per jaar; bijmesten met stikstof is daardoor in de regel nodig, al gaat dat niet altijd meer op wanneer je jarenlang compost hebt gegeven.

Mag je frambozen bekalken?

Hortipendium raadt het af: zie af van bekalken, want hoge kalkgehalten belemmeren de groei en de opbrengst. Dezelfde bron beschrijft voor frambozen een diepe, humusrijke bodem met een pH tussen 5 en 6,5. De bemestingsgids van de Bayerische Gartenakademie kent bekalken wel, maar als algemeen tuinonderhoud: zakt de pH, dan hoort daar elke drie tot vier jaar een onderhoudsbekalking bij. Dat advies gaat over de tuin als geheel. Voor een frambozenrij weegt het gewasadvies van Hortipendium zwaarder dan die algemene routine, en die afweging is van deze pagina. Denk daarbij ook aan compost, want daar zit volgens de bemestingsgids in de regel kalk in; en moet de pH op lange termijn omlaag, dan kan dat volgens die gids bereikt worden door geen kalk en geen compost meer te geven. Dat compost bij een framboos dus niet neutraal uitpakt, is een gevolgtrekking van deze pagina.

Werkt hoornmest bij frambozen?

Hoornmest werkt traag, en dat verschuift het moment. Organische meststoffen werken volgens de bemestingsgids van de Bayerische Gartenakademie niet meteen, omdat de organisch gebonden voedingsstoffen eerst gemineraliseerd moeten worden; reken daarom op ongeveer vier weken voorsprong. De maalfijnheid bepaalt het tempo: hoornmeel werkt betrekkelijk snel en kort, hoornspaanders werken veel trager maar langer door, en hoorngries ligt daartussenin. Hoornspaanders en schapenwolkorrels zijn volgens die gids voor de meeste tuingewassen niet aan te raden; de omzettingstijd is te lang gemeten aan de teeltduur, en in een koude voorjaarsbodem loopt de omzetting extra traag. Elders in dezelfde gids staat een aparte bevinding: bij plantensoorten met een zeer korte teelttijd, waarbij spinazie en kropsla worden genoemd, bleken minerale depotmeststoffen en hoornspaanders niet doelmatig, in het bijzonder vroeg in het voorjaar, en door diezelfde vertraging zijn ze ook ongeschikt om in de herfst mee te bemesten. Wat dat voor een framboos betekent, zegt de gids niet: de afraadzin laat in het midden welke tuingewassen er wel en niet onder vallen, en buiten de behoeftetabel komt de framboos er niet in voor.

Bronnen