Rozen snoeien: waar de schaar precies aanzet

Schema: de snede zit vlak boven een naar buiten wijzend oog en loopt er schuin van weg.
· Tekening: Foliasana · Omdat er geen geschikte foto was, is deze tekening met AI gemaakt en is de inhoud aan de bronnen getoetst.

Door Foliasana · Bijgewerkt: 8 september 2026

Bij rozen snoeien lopen twee vragen door elkaar. De eerste is wanneer, en daar zeggen de vier bronnen vier verschillende dingen. Drie ervan noemen hetzelfde teken, de forsythiabloei, maar zetten er iets anders naast: de snoeihandleiding alleen de vorstvoorwaarde, de gartencast die voorwaarde plus een datum, en de verzorgingspagina helemaal niets. De vierde, de RHS, noemt alleen een venster en geen teken. De tweede is hoeveel eraf gaat, en daar hangt het antwoord volledig af van het type roos: bij de ene groep is snoeien van levensbelang, bij de andere haal je er hooguit eens in de paar jaar wat oud hout uit.

Waar de schaar precies aanzet is een van de weinige stappen die overal hetzelfde blijven. Daar staan de bronnen dicht bij elkaar.

Wanneer: een voorwaarde, geen datum

De maartaflevering van de gartencast van de Bayerische Gartenakademie zet teken, datum en voorwaarde in een zin: het beste moment voor de rozensnoei is volgens die bron het moment waarop de forsythia bloeit, meestal eind maart of begin april, wanneer er ook geen grotere vorst meer te verwachten is. Diezelfde aflevering voegt er een tweede regel aan toe die niets met de kalender te maken heeft: snoei in principe niet op vriezende dagen.

De verzorgingspagina Tipps und Tricks zur Rosenpflege van dezelfde instelling zet het teken in de kop zelf: voorjaarssnoei, gunstig rond de forsythiabloei. Waarom juist de forsythia, legt die pagina niet uit, en ze gebruikt hem ook voor het moment van bemesten. Twee andere documenten van dezelfde instelling zetten het teken wel ergens naast. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden schuift het tussen haakjes achter de vorstvoorwaarde: pas als er geen sterke vorst meer te verwachten is, tussen haakjes de forsythiabloei, zouden de rozen gesnoeid moeten worden. Daar licht de bloei de voorwaarde dus toe. De gartencast noemt de bloei het beste moment en zet de vorst ernaast als tweede eis, met het woordje ook. Dat de bloei aangeeft dat de vorstperiode voorbij is, staat er bij geen van beide; dat is de gevolgtrekking van deze pagina.

De Royal Horticultural Society noemt een ander venster: de late winter, februari of maart. Die bron zwakt haar eigen zin meteen af, met vaak en met de aanwijzing dat je voor preciezere timing bij de afzonderlijke rozenprofielen moet kijken. Een vorstvoorwaarde zet de RHS er niet bij; die staat in de snoeihandleiding en in de gartencast, en de verzorgingspagina noemt vorst helemaal niet. Twee vensters dus, twee klimaten, en geen van beide is voor Nederland geschreven. Deze pagina houdt daarom niet de datum aan maar de voorwaarde, en die twee bronnen formuleren hem net iets anders: de snoeihandleiding zegt geen sterke vorst meer te verwachten, de gartencast geen grotere vorst. Diezelfde aflevering voegt eraan toe dat je in principe niet snoeit op een dag dat het vriest. Dat die voorwaarde ook buiten Beieren te gebruiken is, en dat de forsythia ook in Nederlandse tuinen als eerste geel wordt, zijn beide inschattingen van deze pagina; de bronnen noemen het teken, niet het land.

Waar de snede zit

Vlak boven een oog, en schuin. Op het getal komen de twee bronnen bijna op hetzelfde uit, maar ze formuleren het verschillend, en dat verschil is het waard om te zien.

De Royal Horticultural Society schrijft dat sneden niet meer dan 5 mm boven een oog zouden moeten zitten. Dat is een bovengrens. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden schrijft dat de snijvlakken schuin en ongeveer een halve centimeter boven het gekozen oog zouden moeten liggen. Dat is een richtmaat: daar wil je ongeveer uitkomen.

Over de schuinte zijn ze het eens, en de RHS geeft er de reden bij: de snede loopt van het oog af naar beneden, zodat er geen water op het oog blijft staan.

Over welk oog je kiest wijzen twee instellingen dezelfde kant op, al niet even hard. Snoei op een oog dat naar buiten wijst; de RHS zegt dat zonder voorbehoud en noemt als doel een open midden, terwijl de Beierse documenten er een slag om de arm houden: de gartencast zegt indien mogelijk, de snoeihandleiding in beginsel. En de RHS zet er meteen een uitzondering naast: bij rozen met een uitgespreide groeiwijze snoei je sommige scheuten juist op een naar binnen wijzend oog, om rechtere groei te krijgen. De gartencast geeft daarnaast de reden waarom je niet te hoog moet aansnijden: je wilt nieuwe scheuten van onderaf, en te hoog aangesneden struiken worden onderin kaal.

Twee dingen over het gereedschap. Sneden moeten schoon zijn, dus houd je snoeischaar scherp, schrijft de RHS; en voor dikkere scheuten noemt diezelfde bron een takkenschaar of een snoeizaag. De snoeihandleiding zet er hetzelfde doel achter, namelijk zo klein mogelijke wonden en gladde snijvlakken. Een schaar die knijpt in plaats van snijdt doet precies het tegenovergestelde. Een scherpe snoeischaar of een slijpsteen daarvoor is bij een tuincentrum te krijgen.

Kom je teruggestorven scheuttoppen tegen, dan geeft de RHS de maat waar je op stopt: snoei het teruggestorven deel terug tot je gezond wit merg ziet. Dode en zieke scheuten noemt diezelfde bron apart.

Hoeveel eraf gaat: dat bepaalt het rozentype

Een regel maakt de rest begrijpelijk, en twee documenten van dezelfde instelling noemen hem. Snoei je hard terug, dan komt er ook een krachtige nieuwe uitloop; snoei je zwak terug, dan blijft de nieuwe uitloop ook zwakker, zegt de gartencast. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden trekt daar een conclusie uit die op het eerste gezicht de verkeerde kant op lijkt te gaan, en die bron schrijft er zelf bij dat de aanbeveling in eerste instantie kan verwarren: juist zwak groeiende cultivars worden hard gesnoeid, om een krachtige uitloop te krijgen.

De gartencast geeft een ondergrens, in het blok over het snoeien in het algemeen: kort minstens een derde van de scheuten in. Die ondergrens zet die bron zonder groep neer, hij geldt daar voor rozen in het algemeen. Bij kleinstruikrozen, perkrozen en grootbloemige rozen kan er volgens diezelfde aflevering beter twee derde af. Verderop op deze pagina staan wel de groepen waarvoor de bronnen jaarlijks snoeien juist niet nodig vinden. En er staat iets bij om te doen terwijl je bezig bent: laat alles wat eraf is liggen om overzicht te krijgen, want minstens een derde van de plant hoort nu voor je te liggen.

De verzorgingspagina van dezelfde instelling werkt voor de bodembedekker-, perk- en grootbloemige rozen met aantallen ogen en scheuten. Bij de struikrozen gebruikt diezelfde pagina overigens wel een breuk, zoals verderop staat. De gartencast zet die twee maten tegenover elkaar: direct na het noemen van een derde en twee derde schrijft die bron dat het aantal overblijvende ogen eerder onbelangrijker is. Het gaat daar dus om ogen tellen tegenover inschatten hoeveel eraf gaat. Dat de twee maten elkaar niet uitsluiten maar naar dezelfde snoei kijken, is de gevolgtrekking van deze pagina.

Daarnaast noemt de gartencast een paar scheuten die er bij bijna alle rozen uit gaan. Scheuten dunner dan een potlood, met bodembedekkers en historische rozen als uitzondering. Oude en dikke scheuten van onderaf, om plaats te maken voor nieuwe; het gaat om scheuten ouder dan vier tot vijf jaar, en bij klimrozen geldt dat juist niet, want daar mogen de scheuten wat ouder worden. En wilde scheuten die uit de grond komen gaan er in principe uit. Wat een wilde scheut is, zegt de snoeihandleiding Rosen richtig schneiden erbij: takken die onder de entplaats bij de wortelhals uitlopen en zo met de veredelde cultivar concurreren.

Dat oud hout bij rozen bewust weggaat is overigens geen algemene tuinregel: bij lavendel is het verhoute deel juist de grens waar de schaar niet in gaat, zie lavendel snoeien.

Botanische rozen en eenmaal bloeiende struikrozen

Deze groep wordt volgens de snoeihandleiding niet elk jaar teruggesnoeid, en de reden staat er in dezelfde alinea bij: ze bloeien alleen op meerjarig hout en hebben de oudere takken dus nodig om rijk te kunnen bloeien. Wat er wel gebeurt is beperkt: elke twee tot drie jaar gaan er een paar oude scheuten helemaal uit om de struik te verjongen.

Diezelfde bron beschrijft ook hoe het resultaat eruitziet: aan een goed gesnoeide struikroos of botanische roos zie je de snoei helemaal niet, omdat die behoedzaam en onopvallend gebeurt.

Helemaal niets doen is volgens die handleiding wel een keuze met gevolgen. Laat je de snoei bij deze rozen achterwege, dan veroudert de struik voortijdig.

Perkrozen en grootbloemige rozen

Hier draait het om, en om precies dezelfde reden. Bij deze groep is de snoei volgens de snoeihandleiding van levensbelang om vitale planten te houden, want ze bloeien op het hout van dit jaar. Dat is het spiegelbeeld van de vorige groep: daar zit de bloei in het oude hout, hier in het nieuwe. Dezelfde tweedeling bepaalt ook de snoei van hortensia’s, waar hij per soort verschilt; die staat op hortensia snoeien.

Hoe sterk je terugsnoeit hangt volgens diezelfde handleiding af van de groeikracht van de cultivar, en hier komen twee documenten van dezelfde instelling met verschillende getallen. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden noemt drie tot vier ogen per hoofdscheut bij zwak groeiende cultivars, en laat er bij sterk groeiende zes tot acht staan. De verzorgingspagina Tipps und Tricks zur Rosenpflege zet deze groep onder een kop die ook de bodembedekkerrozen noemt, en geeft voor sterk groeiende cultivars ongeveer vijf knoppen per scheut en vijf scheuten per plant, en schrijft dat er bij zwakkere groei zelfs tot op drie knoppen en drie scheuten kan worden teruggesnoeid. De richting is in beide gelijk, de getallen niet.

Met die snoei houd je deze groep volgens de snoeihandleiding op een hoogte tussen 50 en 120 cm.

Bij de grootbloemige rozen legt diezelfde bron er een nadruk bij die ze voor de perkrozen niet zo stelt: let erop dat alleen sterke scheuten blijven staan, en haal zwakke aan de basis weg. Dat levert volgens die bron sterke nieuwe scheuten op, en lange rechte stelen met een enkele grote, stevige bloem per steel.

Vaker bloeiende struikrozen en Engelse rozen

Voor deze groep noemt de snoeihandleiding een terugsnoei van ongeveer een derde van de totale hoogte, waarbij de struikvorm behouden moet blijven: midden hoger, zijkanten korter.

De verzorgingspagina beschrijft daarnaast wat er over de jaren heen gebeurt: in de eerste jaren laat je ze groeien, en later wordt telkens weer ouder hout van drie tot vijf jaar helemaal weggenomen, terwijl de scheuten die blijven staan met een derde kunnen worden ingekort. Heel dun hout gaat eruit of terug op een kort stompje. Diezelfde pagina zet er een grens bij die deze groep dichter bij de vorige brengt: oudere struikrozen hoef je niet elk jaar te snoeien. En de snoeihandleiding zet er een doelbeeld naast: bij struikrozen zou er altijd een evenwichtige mengeling van een-, twee- en meerjarig hout moeten zijn.

Kleinstruik- en bodembedekkerrozen

Over deze groep spreken drie documenten van dezelfde instelling, en ze komen niet op hetzelfde uit; het is de moeite waard om te weten welk document wat zegt.

De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden zegt dat je deze rozen niet jaarlijks hoeft te snoeien: er gaan hooguit takken uit die storen of te dicht groeien. Daar zit wel een voorwaarde aan vast. Wil je heel compacte planten, dan moet er jaarlijks gesnoeid worden, en dan gelden in principe dezelfde regels als bij de perkrozen. Doe je dat niet, dan is volgens die handleiding een terugsnoei tot 30 tot 40 cm elke twee tot drie jaar genoeg.

De verzorgingspagina Tipps und Tricks zur Rosenpflege zet de bodembedekkerrozen zonder voorbehoud in dezelfde kop als de perkrozen en de grootbloemige rozen, met dezelfde aantallen ogen en scheuten. En de gartencast rekent kleinstruikrozen tot de groep waar beter twee derde af kan, ook samen met die twee. Dat is dezelfde tak als de voorwaarde uit de handleiding, alleen zonder die voorwaarde erbij. Dat het antwoord zou afhangen van wat je met de plant wilt, is de gevolgtrekking van deze pagina: de handleiding zet die voorwaarde erbij, de gartencast niet.

Dezelfde handleiding toont daarnaast een radicale snoei elke vijf jaar als aparte variant. Dat staat er als variant, niet als aanwijzing.

Sterk groeiende cultivars niet te kort snoeien, zegt de handleiding erbij, want dan komt er een zeer krachtige nieuwe uitloop met veel lange twijgen.

Vaker bloeiende klimrozen

Ook hier lopen de drie documenten van de instelling uiteen, en deze pagina geeft ze alle drie. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden schrijft dat vaker bloeiende klimrozen jaarlijks worden teruggesnoeid. De gartencast zegt het tegenovergestelde: klimrozen worden niet elk jaar teruggesnoeid, er wordt alleen oud hout weggehaald om vernieuwing van onderaf op gang te brengen, en dat met bedachtzaamheid. De verzorgingspagina Tipps und Tricks zur Rosenpflege legt het accent weer anders: klimrozen worden in de eerste jaren met de lange scheuten op eindhoogte gebracht en later vooral uitgedund, net als de struikrozen. Deze pagina kiest daar niet tussen.

Wat er precies weggaat, staat uitgebreid in de snoeihandleiding Rosen richtig schneiden. Scheuten die zich niet laten leiden, dus in de verkeerde richting groeien, gaan eruit. Om een sterke bloei zeker te stellen worden alle zijscheuten op drie tot vijf ogen teruggenomen; die bron noemt dat snoeien op een stompje. Te dicht gegroeide zijscheuten gaan weg. De gartencast kent dat stompje ook, maar houdt het bij een mogelijkheid en noemt geen aantal ogen; uitdunnen is volgens die aflevering zeer belangrijk, omdat er bij klimrozen veel blad te verwachten is.

Bij oudere exemplaren zou volgens de snoeihandleiding af en toe een oude scheut vlak bij de grond weggenomen moeten worden, om verjonging en een doorgaande bebladering te bereiken. Optimaal is het volgens die handleiding als jong hout van een en twee jaar en meerjarig hout ongeveer even sterk vertegenwoordigd zijn.

Eenmaal bloeiende klimrozen en ramblers

Bij de eenmaal bloeiende klimrozen gaat het volgens de handleiding vaak om ramblerrozen. Die groeien zeer sterk en kunnen tussen de zes en twaalf meter hoog worden, en bij zulke hoogtes is snoeien vaak erg moeilijk uit te voeren.

Deels is het ook helemaal niet nodig, schrijft diezelfde bron, bijvoorbeeld als de rambler een hoog houtgewas in mag groeien. Dient hij om een huismuur of een rozenboog te begroeien, dan noemt de handleiding elke drie tot vier jaar na de bloei: heel oude scheuten onderaan wegnemen en te lange scheuten afleiden op zijscheuten.

Let op dat moment. Voor deze groep valt de snoei na de bloei, niet in het voorjaar zoals bij de meeste andere rozen op deze pagina.

Stamrozen

Bij een stamroos is meestal een perk-, kleinstruik- of klimroos op een stamvormende cultivar geënt. De gartencast zet daar een waarschuwing bij die de moeite waard is om te lezen voordat je begint: de entplaats zit bij deze rozen niet onder de grond maar bij de aanzet van de kroon, en snijd je die weg, dan is de veredelde cultivar verloren.

Het doel van de snoei is volgens de snoeihandleiding om de kroon zo licht mogelijk te houden, zodat die niet knikt of breekt. Om dat te bereiken worden stamrozen net als de perkrozen op zes tot acht of op drie tot vier ogen teruggesnoeid. Snoeien op een naar buiten wijzend oog noemt diezelfde bron bij deze groep bijzonder belangrijk, omdat je zo een gelijkmatige kroon krijgt.

Als je niet weet welke roos je hebt

De Royal Horticultural Society heeft daar een eigen kopje voor, en de aanwijzing eronder is kort en zonder voorbehoud: snoei in februari of maart. Dat is opmerkelijk, omdat diezelfde bron voor rozen in het algemeen juist een slag om de arm houdt en naar de afzonderlijke rozenprofielen verwijst. Het onvoorwaardelijke zinnetje hoort dus bij dat ene geval.

Maar die bron laat het daar niet bij: ze geeft een manier om er in twee stappen achter te komen wat je hebt.

Heeft je roos lange gebogen scheuten, is hij erg hoog, of heeft hij steun nodig om overeind te blijven, dan is het volgens de RHS hoogstwaarschijnlijk een klimroos of rambler. Loopt er maar een dikke oude scheut naar de grond, dan raadt die bron voorzichtigheid aan, omdat de plant zich er mogelijk niet van herstelt als je hard terugsnoeit; kort hem in dat geval met een derde tot de helft in. Bij meerstammige rozen probeer je een of twee van de oudst ogende scheuten weg te halen, te herkennen aan grijze, schilferige schors, en wel zo dicht bij de basis als je kunt. Komen er het jaar daarop veel sterke maar bloemloze scheuten, dan is het volgens die bron waarschijnlijk een rambler; reageert de plant met minder krachtige groei die wel bloeit, dan eerder een klimroos.

Is het geen klimmer en gaat het om een grotere struikvormige roos, dan noemt de RHS een proef die het antwoord het jaar erop geeft. Heel kleine rozen zijn volgens die bron makkelijk te herkennen; daarvoor verwijst ze naar haar eigen gids voor patio- en miniatuurrozen. Neem een of twee scheuten zo dicht mogelijk bij de grond weg, of tot op jonger ogende zijscheuten laag aan de plant, en kort de overige scheuten met een derde tot de helft in. Komt er het volgende seizoen veel krachtige hergroei die goed bloeit, dan is het volgens die bron waarschijnlijk een floribunda of een theehybride. Zo niet, dan is het eerder een struikroos.

Wat breed geldt kun je er sowieso bij aanhouden: teruggestorven scheuttoppen tot op gezond wit merg, dode, zieke en spichtige scheuten eruit, en in de regel snoeien op een oog dat naar buiten wijst. De potloodmaat van de gartencast laat deze pagina hier weg, omdat die bron er bodembedekkers en historische rozen van uitzondert en je juist niet weet wat je hebt.

Na de eerste bloei

De verzorgingspagina beschrijft een tweede beurt in het jaar, en die geldt niet voor alle rozen. Na de eerste bloeigolf, eind juni, snoei je terug op een stevige knop of op het bekende vijfblad, zodat de planten weer goed uitlopen en in het najaar nogmaals bloeien. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden noemt de groep er wel bij: in de zomer worden bij de vaker bloeiende rozen de uitgebloeide bloemen tot aan een volledig gevormd blad weggeknipt, waarmee vruchtzetting wordt voorkomen en een tweede bloeigolf wordt ondersteund. Bij eenmaal bloeiende rozen vervalt dit werk dus.

De verzorgingspagina schrijft die tweede bloei niet aan de snoei alleen toe. In haar blok over bemesting staat dat een snelwerkende meststof tijdens of vlak na de hoofdbloei de tweede bloeigolf bevordert. Twee oorzaken dus, bij dezelfde bron en op dezelfde pagina.

Wat er overblijft

Het overzicht van de gartencast, alles laten liggen en kijken of er minstens een derde van de plant voor je ligt, levert meteen een tweede vraag op: waar laat je dat.

Gezond snoeiafval van rozen is tuinafval en kan bij het gft. Voor materiaal met ziekteplekken op blad of scheuten ligt dat anders, en waar dat bij jou heen mag bepaalt je gemeente. Op een composthoop in eigen tuin houd je het liever niet: die wordt zelden warm genoeg om ziekteverwekkers te doden, en dat laatste is de inschatting van deze pagina. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden noemt het weghalen van eventueel door schimmels aangetaste takken en bladeren trouwens als tweede reden voor een lichte najaarsbeurt bij alleen de sterk groeiende rozen, niet als doel op zich, en de gartencast schrijft dat blad dat nog onder de rozen ligt in het voorjaar weggaat zodat er geen ziekten worden verspreid. Dikke stammetjes en lange ranken passen daarnaast vaak niet in de bak, en gemeenten verschillen in wat ze in welke vorm meenemen; wat bij jou geldt staat op de afvalwijzer van je eigen gemeente, en anders neemt de milieustraat het aan. Doornige ranken zijn het waard om apart te houden van de rest, of je ze nu in de bak duwt of in de auto legt.

Hoe en wanneer je rozen bemest, staat op Rozen bemesten.

De kalenderkant van de snoei staat apart: wanneer snoei je rozen.

Veelgestelde vragen

Wanneer snoei je rozen?

De vier bronnen zeggen daar vier verschillende dingen. De gartencast van de Bayerische Gartenakademie zet teken, datum en voorwaarde in een zin: het beste moment is volgens die bron de bloei van de forsythia, meestal eind maart of begin april, wanneer er ook geen grotere vorst meer te verwachten is. Dezelfde aflevering voegt toe dat je in principe niet op vriezende dagen snoeit. De Royal Horticultural Society noemt de late winter, februari of maart, zwakt dat zelf af met vaak en met een verwijzing naar de afzonderlijke rozenprofielen, en zet er geen vorstvoorwaarde bij. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden geeft alleen de voorwaarde, met hetzelfde teken erbij: pas als er geen sterke vorst meer te verwachten is, tussen haakjes de forsythiabloei. De verzorgingspagina noemt alleen het teken en zwijgt over vorst. Dat je die voorwaarde ook buiten Beieren kunt aanhouden, is de inschatting van deze pagina. Een uitzondering noemt de snoeihandleiding zelf: eenmaal bloeiende klimrozen en ramblers snoei je juist na de bloei, niet in het voorjaar.

Hoe ver boven een oog moet de snede zitten?

Beide bronnen komen op ongeveer hetzelfde getal uit, maar ze formuleren het verschillend. De Royal Horticultural Society schrijft dat de snede niet meer dan 5 mm boven een oog zou moeten zitten, en dat is een bovengrens. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden van de Bayerische Gartenakademie schrijft dat de snijvlakken schuin en ongeveer een halve centimeter boven het gekozen oog zouden moeten liggen, en dat is een richtmaat. Over de schuinte zijn ze het eens: de RHS geeft er ook de reden bij, namelijk dat het water dan van het oog af loopt in plaats van erop te blijven staan. In de praktijk komen beide op ongeveer een halve centimeter uit; het verschil zit in wat de bron ermee bedoelt, niet in het getal.

Hoeveel mag er van een roos af?

Dat hangt van het type af, en de bronnen leggen het accent verschillend. De gartencast van de Bayerische Gartenakademie geeft een ondergrens in het blok over het snoeien in het algemeen, minstens een derde van de scheuten, en die ondergrens zet ze zonder groep neer. Bij kleinstruikrozen, perkrozen en grootbloemige rozen kan er volgens diezelfde aflevering beter twee derde af, en voor twee groepen zeggen andere bronnen iets anders: de snoeihandleiding Rosen richtig schneiden schrijft dat botanische rozen en eenmaal bloeiende struikrozen niet elk jaar worden gesnoeid, en dat ook kleinstruik- en bodembedekkerrozen niet jaarlijks hoeven, al zet die bron daar een voorwaarde bij: wie heel compacte planten wil, snoeit ze wel elk jaar. De gartencast zegt er iets bij om te doen terwijl je bezig bent: laat alles wat eraf is liggen om overzicht te krijgen, want minstens een derde van de plant hoort nu voor je te liggen. De verzorgingspagina Tipps und Tricks zur Rosenpflege van dezelfde instelling werkt voor de bodembedekker-, perk- en grootbloemige rozen juist met aantallen ogen en scheuten, en de gartencast zet die twee maten tegenover elkaar: direct na een derde en twee derde schrijft die bron dat het aantal overblijvende ogen eerder onbelangrijker is.

Moet je klimrozen ook snoeien?

De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden splitst ze in twee groepen, en over de eerste groep zijn de drie Beierse documenten het oneens. Volgens die handleiding worden vaker bloeiende klimrozen jaarlijks teruggesnoeid; de gartencast zegt juist dat klimrozen niet elk jaar worden teruggesnoeid en dat er alleen oud hout weggaat, en de verzorgingspagina Tipps und Tricks zur Rosenpflege noemt vooral uitdunnen. Deze pagina kiest daar niet tussen. De concrete aanwijzingen komen uit de snoeihandleiding: scheuten die zich niet laten leiden gaan eruit, en alle zijscheuten worden op drie tot vijf ogen teruggenomen. De gartencast noemt dat stompje ook, maar zonder aantal. Bij eenmaal bloeiende klimrozen, vaak ramblerrozen, ligt het anders. Die kunnen zes tot twaalf meter hoog worden, en volgens diezelfde handleiding is snoeien deels helemaal niet nodig, bijvoorbeeld als de rambler een hoog houtgewas in mag groeien. Dient hij om een huismuur of een rozenboog te begroeien, dan noemt de handleiding elke drie tot vier jaar na de bloei. Let op het moment: dat is na de bloei, niet in het voorjaar.

Wat doe je met een roos waarvan je het type niet kent?

De Royal Horticultural Society heeft daar een apart kopje voor, Pruning an unknown rose, en de aanwijzing die daaronder staat is kort en zonder voorwaarde: snoei in februari of maart. Dat is opvallend, want elders op diezelfde pagina houdt de RHS juist een slag om de arm en verwijst voor de timing naar de afzonderlijke rozenprofielen. Het onvoorwaardelijke zinnetje hoort dus bij dat ene geval. Voor grotere struikvormige rozen geeft diezelfde bron er een manier bij om erachter te komen wat je hebt: neem een of twee scheuten zo dicht mogelijk bij de grond weg en kort de rest met een derde tot de helft in, en als er het jaar erop veel krachtige hergroei komt die goed bloeit, is het waarschijnlijk een floribunda of theehybride, en anders eerder een struikroos. Verder gelden de gewone aanwijzingen: teruggestorven scheuttoppen terug tot op gezond wit merg, dunne scheuten weg, en in de regel snoeien op een naar buiten wijzend oog. Bij rozen met een uitgespreide groeiwijze noemt de RHS daar een uitzondering op, en snoei je sommige scheuten juist naar binnen.

Snoei je rozen ook in de zomer?

De verzorgingspagina Tipps und Tricks zur Rosenpflege beschrijft een zomerbeurt: na de eerste bloei, eind juni, terugsnoeien op een stevige knop of op het bekende vijfblad, zodat de planten weer goed uitlopen en in het najaar nogmaals bloeien. De snoeihandleiding Rosen richtig schneiden noemt de groep erbij, en die is beperkt: in de zomer gaat het om de vaker bloeiende rozen. Bij eenmaal bloeiende rozen vervalt dit werk. De verzorgingspagina noemt in haar blok over bemesting nog een tweede oorzaak voor die tweede bloei: een snelwerkende meststof tijdens of vlak na de hoofdbloei bevordert volgens die bron de tweede bloeigolf. De pagina schrijft de najaarsbloei dus niet aan de snoei alleen toe.

Welke scheuten haal je er sowieso uit?

De gartencast van de Bayerische Gartenakademie noemt er een paar die voor bijna alle rozen gelden. Scheuten dunner dan een potlood gaan eruit, met bodembedekkers en historische rozen als uitzondering. Oude en dikke scheuten haal je onderaan weg om plaats te maken voor nieuwe, en dat gaat om scheuten ouder dan vier tot vijf jaar; voor klimrozen geldt dat weer niet, want daar mogen de scheuten rustig wat ouder worden. En wilde scheuten die uit de grond komen gaan er in principe uit. De Royal Horticultural Society noemt daarnaast teruggestorven scheuttoppen: snoei het teruggestorven deel terug tot je gezond wit merg ziet.

Bronnen